'EN AAN HET EINDE ZAT DE WEDERPARTIJ TE SIDDEREN'
Een halve eeuw na de burgeroorlog ruzieŽn de opa's verder

Door Hans Schoots. Wij bevinden ons in een zaaltje van gebouw De Populier in Amsterdam. Achter de tafel zitten vier heren op leeftijd elkaar af te troeven: 'CNT, FAI!', 'PCE!', 'POUM!', 'PSOE, UGT!' Ook hebben ze het over PSAP, NAS, AJC, SJI, KJI, CPN, NSV... Sommige aanwezigen kunnen deze geheimtaal niet volgen en vragen om uitleg. 'FAI is Federatie van Iberische Anarchisten, snap je?' 'Eh?' Maar voor de ingewijden is alles duidelijk: hier wordt gesproken over de Spaanse burgeroorlog, het is 1986 en vijftig jaar geleden dat in Spanje de driejarige broederstrijd uitbrak die een half miljoen slachtoffers maakte. Wie zijn de vier discussianten?

Karel Neijssel sloot zich als negentienjarig communist aan bij de Internationale Brigades die in Spanje vochten. Arthur Lehning, notoir anarchistisch theoreticus, verbleef kort voor de burgeroorlog als secretaris van de Anarcho-syndicalistische Internationale in Barcelona. Wim Thomassen, prominent lid van de partij van de Arbeid en oud-burgemeester van Rotterdam, maakte in 1937 deel uit van een delegatie van de Socialistische Jeugd Internationale die een bezoek bracht aan Spanje. Hij was indertijd lid van de Arbeiders Jeugd Centrale. Tinus de Winter is, roept hij uit, 'nooit in Nicaragua geweest, niet in Zuid-Afrika en niet in Spanje, maar kan een paar ploerten noemen die daar een verderfelijke rol hebben gespeeld.' Hij bekleedde in een ver verleden een bestuursfunctie in Henk Sneevliets Revolutionair Socialistische Arbeiders Partij.

Oude spoken waren door De Populier. De vier achter de tafel twistten alsof er géén zevenenveertig jaar zijn verstreken zijn sinds de burgeroorlog in 1939 afliep met de overwinning van de extreem rechtse generaal Francisco Franco. Ook die is al jaren dood, maar daar laat men zich in De Populier niet door van de wijs brengen. Het republikeinse kamp is nog steeds verdeeld. Ten overvloede hadden de organisatoren van de bijeenkomst de sprekers vooraf gevraagd hun visie op polemische wijze te presenteren.

Arthur Lehning vond dat de historici de sociale revolutie in Spanje verdoezelden en net deden of het alleen maar een democratische strijd tegen Franco was geweest. Hij sprak over de verderfelijke rol van de communisten, die de anarchistische revolutiepogingen de kop in hadden gedrukt, en ter afsluiting becritiseerde hij de leiding van zijn eigen geestverwante anarcho-syndicalistische vakbond, de CNT, omdat die gemene zaak had gemaakt met gematigde krachten in de Republiek. Lehning zei kortom wat hij ook in 1937 al had gezegd.

Wim Thomassen bracht verslag uit van een meeting waar hij indertijd als braaf jong sociaal-democraatje de communiste Dolores Ibarurri, bijgenaamd 'La Passionaria', had horen spreken. 'Het geluidsvolume werd steeds heftiger, de blikken doorboorden je en aan het einde zat de wederpartij te sidderen. Het was hersenspoeling avant la lettre.' Wat indruk had het inderdaad wel gemaakt. De AJC, vooral bekend van het botaniseren en het dansen op de Paasheuvel, tegenwoordig een populaire camping op de Veluwe, politiseerde onder invloed van de Spaanse gebeurtenissen.

Tinus de Winter legde uit dat alleen de POUM, een kleine semi-trotskistische organisatie, het in Spanje bij het rechte eind had gehad, waarop Karel Neijssel de aanwezigen opriep niet te spreken over 'wat ons verdeelt'. Zulke oproepen deden de communisten in Spanje vroeger ook, en wie het er niet mee eens was werd zonodig opgeruimd. Neijssel vergat ook nu te vermelden dat De Winters geliefde POUM indertijd door de communisten met geweld was geliquideerd, terwijl ze de anarchisten en de linkervleugel van de sociaal-democratie nauwelijks minder hardhandig uit de republikeinse regering hadden gewerkt.

Een jongere in de zaal, die het allemaal niet zelf had meegemaakt en daarom weinig oog had voor de eeuwige principes die in het geding waren, merkte op dat elke partij precies wist wat de anderen fout hadden gedaan, maar 'reflectie over het eigen verleden lijkt niet te hebben plaatsgevonden.' Tot reflectie leidde ook deze opmerking niet, al temperde Arthur Lehning de tegenstellingen wat door zijn oprechte respect uit te spreken voor de tienduizenden communisten die in de Internationale Brigades hadden gevochten, en zei Neijssel dat het hem er niet om ging de Spaanse anarchisten af te kraken. Maar de vriendelijkheden werden weer gauw verdrongen door botsende enig-juiste-analyses.

Zo was Neijssel in zijn loopgraaf in Spanje te weten gekomen: 'Eerst het fascisme verslaan, dan opbouwen, dat was ook de mening van het Spaanse volk. De partijen krakeelden onder elkaar terwijl het volk doorging met de strijd tegen Franco.' Hoe hij wist dat 'het volk' het zo wilde, vertelde hij er niet bij. En net daarvoor had hij verteld dat er een miljoen anarchisten in Spanje waren geweest, die zoals Lehning al uiteen had gezet méér wilden dan tegen Franco vechten. Partijgenoot Gerard Maas schoot Neijssel te hulp, toen de vraag werd gesteld wat hij nu eigenlijk vond van de manier waarop de anarchisten door de communisten bejegend waren. 'De Spanjaarden hadden de ervaring opgedaan dat ze met de syndicalistische beweging niet verder kwamen,' wist Maas. 'Moesten anarchisten daarom door de communisten worden afgemaakt?', riep iemand uit. 'Ja hoor eens, daar ben ik niet bij geweest,' antwoordde Maas.

Natuurlijk was het idee dat 'het volk' als één man vier verschillende meningen koesterde moeilijk te rijmen met het feit dat ook Franco nog een grote aanhang had. Dit kon Neijssen zich dan ook niet voorstellen. Toch spraken de cijfers duidelijke taal: bij de verkiezingen die kort voor het uitbreken van de vijandelijkheden hadden plaats gevonden kregen de centrum-linkse partijen die daarna de Republikeinse regering zouden vormen 4,7 miljoen stemmen; de rechtse partijen die zich later achter Franco stelden 4 miljoen. De Spaanse bevolking was diep verdeeld.

Arthur Lehning, die vond dat het in Spanje radicaler toe had moeten gaan en de strijd tegen Franco tevens en sociale revolutie had moeten zijn, ging gemakshalve voorbij aan de vraag wat er dan had moeten gebeuren met al diegenen - ook aan republikeinse kant - die zo'n revolutie níet wilden. Zelf had hij kort tevoren nog opgemerkt dat honderdduizenden gematigder Spanjaarden naar de communistische partij PCE waren overgelopen, omdat ze vonden dat het geen tijd was voor radicale experimenten. Wat zou er zijn gebeurd met deze bevolkingsgroep, wanneer de anarchisten het voor het zeggen hadden gekregen? In de anarchistische utopie werd er geen rekening mee gehouden dat sommigen misschien zo vrij wilden zijn niet voor het anarchistische model te kiezen.

Tinus de Winter was tenminste consequent en praktisch, maar dat maakte de zaak er ook niet beter op: 'Geweld had gepleegd moeten worden tegen alle burgerlijke elementen die er in Catalonië respectievelijk in heel Spanje waren.' Instemmend citeerde hij de eis van een anarchistische groep zonder afkorting, 'De Vrienden van Durruti': 'Ontbinding van alle partijen die de arbeidersklasse hebben aangevallen.' Hij maakte duidelijk dat daar álle partijen onder vielen, behalve de POUM en 'een deel van de CNT dat begreep dat de POUM uitkomst bood.' In zijn anarchistische Vrienden had De Winter ware aanhangers van de socialistische dictatuur van het proletariaat ontdekt!

Te midden van de wirwar van argumenten hield Wim Thomassen zich bescheiden op de achtergrond. Hij beperkte zich ertoe de 'bijna onbegrijpelijke broedertwisten' in Spanje 'dramatisch' te noemen, een sympathiek maar ook weinigzeggend standpunt, zolang er niet aan werd toegevoegd dat er een fundamenteel falen van al die socialistische, anarchistische en andere utopistische bewegingen aan ten grondslag lag. Een drama dat zou blijven voortduren zolang de diverse sprekers, clubjes en partijen vasthielden aan de blinde zekerheid van hun eigen gelijk. Zoals ze er destijds in Spanje aan vasthielden ten koste van het veelbezongen Spaanse volk.

Wim Thomassen wist tegen het einde van de avond toch nog een gevoel van saamhorigheid bij de anderen te bewerkstelligen - alle anderen waren tegen hem. Karel Neijssen uitte het verwijt dat de Partij van de Arbeid de oud-Spanjestrijders in hun hemd had laten staan. Jarenlang kregen zij na de Tweede Wereldoorlog hun Nederlanderschap niet terug omdat ze in vreemde krijgsdienst waren getreden - terwijl de PvdA in de regering zat. Thomassen probeerde zich er met veel ingewikkelde zinswendingen uit te praten, maar zonder succes.

Eén ding hebben de aanwezige jongeren van deze avond geleerd: voor hun opa's was politiek meer dan verbaal geweld.

© Hans Schoots

^