Straatbeeld in Ziguinchor

VOOR DE HEILIGE BOOM RECHTS
Bericht uit Senegal

Casamance, 1988 - door Hans Schoots. Vier jaar geleden vertrok de negentienjarige Diatou hals over kop uit Senegal om haar uithuwelijking te ontlopen. Nu zit ze in Amsterdam op de HAVO. Een reis terug naar haar geboortedorp in het Afrikaanse oerwoud, op zoek naar de achtergronden van een vlucht.

Buiten in het donker zit ik de muskieten van me af te slaan op een van de twee stoelen waarover de familie beschikt, want ik ben de toubab - de blanke - die op bezoek is uit het verre Nederland: 'Wonen er voorbij Parijs dan ook nog mensen?' Ik moet opletten dat ik niet voor de deur ga zitten, want het geluk moet onbelemmerd naar binnen kunnen. De andere zitplaats, een houten klapstoel van monumentale afmetingen, wordt bezet door de patriarch, heerser over zijn drie vrouwen, achttien zonen en dochters en wat neven en nichten. Met een lawaaiig ventilatortje op batterijen waait hij zich koelte toe. Andere familieleden zitten her en der verspreid op krukjes, op de grond of op een boomstam. Een van hen is Diatou, mijn reisgenote en tevens dochter van de heer des huizes. Vier jaar geleden ontvluchtte zij het ouderlijk huis. Alle voorbereidingen voor haar uithuwelijking waren getroffen, maar ze wilde niet. Nu woont ze in Amsterdam, zit op de HAVO en moet voor school De Avonden lezen. Eens hoopt ze gynaecologe te worden. Gedurende twee jaar weigerden haar ouders ieder contact, maar inmiddels is de vrede getekend.

Wij bevinden ons vijfhonderd kilometer zuidelijk van Senegals hoofdstad Dakar, in de Casamance, de natste en groenste streek van het land. Het dorp ligt afgelegen in het oerwoud, op twee uur varen per kano van de stad Ziguinchor, temidden van talrijke rivierarmen, kreken en moerassen, die de delta vormen waarmee de Casamancerivier uitmondt in de Atlantische Oceaan. Vanouds is dit het woongebied van de Djola. De Islam is er pas een jaar of zestig geleden doorgedrongen maar inmiddels de allesdominerende religie geworden. Toch is Allah niet almachtig. Om je rondwarende geesten van het lijf te houden is ook een grigri onontbeerlijk, een amulet die je steeds bij je dient te dragen, meestal een object met bijzondere krachten dat in leer is ingenaaid door de Marabout.
Een half jaar geleden sprak ik met Diatou af dat we de reis terug zouden maken naar haar geboortedorp. Dat was in Café De Schutter te Amsterdam. Ze viel er niet op met haar paarse fiets en spijkerpak. Nu zitten we in haar dorp met onze rug tegen de mangoboom. Van hieruit lijkt het vertrouwde hoofdstedelijke lokaal mij verder weg dan de maan en je thuis voelen in twee zo ver van elkaar verwijderde werelden komt mij voor als een bijna bovenmenselijke opgave.

Hoe kwam je er toe zo'n roekeloze sprong in het onbekende te wagen? Waarom ben je niet gewoon getrouwd, net als de andere vrouwen van het dorp?

'Mijn vader zei vroeger al dat ik koppig was. Daarom heeft het hem nogal wat moeite gekost een man te vinden die met mij wilde trouwen. Ik vroeg me altijd af waarom dingen zus waren en niet zo. Mijn moeder zei dan: "Je moet niet overal over nadenken, het is zoals het is." Ik was het enige meisje in onze familie dat naar school wilde. In het dorp zijn bijna geen vrouwen die Frans kennen, terwijl alles, radio, kranten en boeken in het Frans is. Djola bestaat alleen als spreektaal. Mijn zussen hadden een baantje als werkster in de stad en daarna trouwden ze. Maar ik had er geen zin in altijd klaar te staan voor een man. Ik wilde zelf iemand zijn. Tot mijn zestiende mocht ik van mijn vader naar de middelbare school in Ziguinchor maar ik moest eraf omdat ik de huwbare leeftijd bereikte. Ik heb als tolk gewerkt voor een Nederlandse antropologe die in ons dorp onderzoek deed. Zij was de eerste waarmee ik kon praten over dingen waarover ik zelf vaak zat na te denken.
Als tolk heb ik het geld voor een ticket verdiend. Wanneer ik mijn eigen weg wilde gaan moest ik naar het buitenland, want waarheen je ook gaat in Senegal, je blijft aan het dorp gebonden. Overal zijn wel een paar oude dorpsgenoten of familieleden in de buurt waarvan je afhankelijk blijft en die je op je plichten wijzen.

De kloof tussen de westerse wereld en Afrika ligt voor de uitgang van het vliegveld Yoff bij Dakar. Binnen vind je nieuwe technologie en moderne architectuur. Zet je een stap buiten, dan rukken een stuk of tien jongens om het hardst aan je bagage, want hoewel je nergens om hebt gevraagd, wordt verwacht dat je hen zult belonen voor het dragen van je spullen. Je bent toch een toubab met een onvoorstelbare hoeveelheid geld op zak? Nou dan. Het is heel gewoon de prijs in hotel of taxi voor een Europeaan te verdubbelen. Als Diatou probeert af te dingen wordt haar toegevoegd: 'Jij verdient toch ook aan hem, waarom wij dan niet?.' Men veronderstelt dat ze een hoer is en soms wordt het hardop gezegd. Wat doet een zwarte vrouw anders in het gezelschap van een blanke?

De zuidelijke plaats Ziguinchor, de belangrijkste stad in Diatou's geboortestreek en de vierde stad van Senegal, telt ruim honderdduizend inwoners, maar het is er minder stads dan in een Nederlandse plattelandsgemeente. Buiten een centrum van een stuk of wat verharde straten begint een onafzienbare warwinkel van zandwegen en paden. Er langs staan huisjes met golfplaten of rieten daken en kriskras er tussendoor liggen maïs- en pindaveldjes. Op enige openbare kranen na zijn er alleen putten voor de watervoorziening. Het is regentijd en om de paar dagen veranderen de zanderige straatjes in rivieren en modderpoelen.

Midden in de nacht kloppen we in Ziguinchor aan bij Diatou's broer. Zijn huis staat aan het laatste weggetje rechts voor je bij de Heilige Boom komt. Hij woont er met zijn vrouw (de tweede vrouw is op komst), vier kinderen en Diatou's moeder. Die kan maar niet begrijpen hoe Diatou voor de deur kan staan, want ondanks de ontvangen brieven had ze zich met de gedachte verzoend dat haar dochter wel dood moest zijn. Diatou's moeder woont niet meer bij haar man in het dorp. Ze is te oud om te werken en is nu als het ware met pensioen bij haar zoon, die ambtenaar is in de stad.
Ze zit vol grapjes en wekt niet de indruk gebukt te gaan onder de scheiding van haar echtgenoot. Ze gaat haar eigen gang en zit bijna elke dag met wat handelswaar op de markt, meer om te kunnen kletsen met andere oude vrouwen die daar zitten dan om geld te verdienen.

Vorig jaar is Diatou voor het eerst na haar vertrek terug geweest in Senegal. 'Ik ging terug om het goed te maken met mijn ouders en om alles uit te leggen. Ik had geen idee wat me te wachten stond. Misschien zou ik het dorp niet in mogen. Maar toen ik er was, werd er geen woord over mijn vertrek gezegd. Ik was er weer en dat was dat.'

Je hebt er over gedacht voorgoed in Senegal te blijven.

'Ja, ik was bang mijn ouders te verliezen. Ik heb ze erg gekwetst door zomaar te vertrekken en ze hebben het er heel moeilijk door gehad. Het hele dorp is over ze heen gevallen.'

Je kunt toch niet je eigen toekomst opofferen alleen om je ouders niet te kwetsen?

'Dat is een typisch Europees idee. Ik heb geleerd dat je niet altijd aan jezelf moet denken en dat het goed is te doen wat je ouders zeggen.'

Hoe kunnen je ouders nu altijd weten wat goed is? Zelfs in vergelijking met de gewoonten in een Senegalese stad zijn ze ouderwets. Ook Afrika verandert toch?

'Jawel, maar waarom moest ik nou juist de eerste van het dorp zijn? Door mijn toedoen zijn andere meisjes ook op een idee gebracht en daardoor kunnen hele families ontwricht worden.'

Straks, als je een opleiding hebt afgemaakt, hebben ze veel meer aan je. Het is hier toch hopeloos met de gezondheidszorg? In het ziekenhuis van Ziguinchor werken alleen Chinese artsen en vanuit het dorp moet je voor simpele medische hulp vijftien kilometer naar een missiepostje van Franse nonnen. Ze zullen maar wat blij zijn als je nog eens als dokter terugkomt.

'Straks! Als mijn moeder me nu nodig heeft ben ik er niet. Ik heb soms veel spijt van wat ik gedaan heb. Dat snap jij toch niet. Maar teruggaan wordt steeds moeilijker omdat ik nu heb gezien dat alles anders kan. Soms wou ik dat ik het niet wist.'

Het dorp bereik je vanuit Ziguinchor met een gemotoriseerde kano die om de twee dagen vaart, een eind langs de Casamancerivier en verder over smalle stroompjes die zich tussen de moerassen door kronkelen. Af en toe glijden we door een zwerm van honderdduizenden minuscule insecten. De passagiers hullen zich tot en met hun gezicht in hun wijdvallende gewaden of verbergen het hoofd onder een doek. We zien eruit als een boot vol gedoemden, met veerman Charon op weg naar Hades' schimmenrijk.
Van de aanlegplaats naar het dorp is het nog een kilometer of tien over een modderig bospad. Aan het einde van deze tocht breidt zich een idyllisch landschap voor ons uit. Je waant je in een volkenkundig museum waar alles net iets te mooi is. Te midden van de schitterende natuur staan her en der kleine groepjes zandkleurige huizen met de al vertrouwde rieten of golfplaten daken. De paadjes en erven zijn brandschoon.

We worden afgemeten begroet door Diatou's vader. 'Zo is hij altijd', verzekert ze mij, 'dat betekent niets.'
Haar vader is een boom van een vent van omstreeks vijfenzeventig jaar. Hoe oud hij precies is weet niemand, want men heeft het vroeger niet de moeite waard gevonden de leeftijden bij te houden. Hij is waarschijnlijk de meest bemiddelde boer van het dorp, want als enige bezit hij een paar ossen om de ploeg te trekken. De dorpsgenoten duwen het ploegijzer met de hand voort. Bovendien houdt hij er een van de twee bescheiden winkeltjes op na die het dorp rijk is.
Een blik in het winkeltje dat zich achter een van de deuren van het ouderlijk huis bevindt, maakt veel duidelijk over het welvaartspeil hier. Het assortiment is bescheiden. Balen rijst, petroleum voor de lampen, batterijen voor zaklampen en radio's. Je kunt er verder per stuk suikerklontjes, snoepjes en cigaretten kopen.
De gehele mannelijke bevolking bestaat uit boeren, inclusief religieuze en wereldse hoogwaardigheidsbekleders als de Imam, de Marabout en de Chef de Village. Alleen de onderwijzers van de lagere school oefenen een gesalarieerd beroep uit, maar zij komen van elders. Het dorp heeft geen waterleiding, geen electriciteit, geen telefoonverbinding.

Diatou is het zevende kind en de enige dochter van haar moeder. Die heeft haar de treffende bijnaam 'Eerste Slaaf' gegeven en de familie noemt haar nog altijd zo, want alleen dochters moeten bij het zware huishoudelijke werk helpen. Als ik de volgende ochtend om half acht wakker word heeft Diatou het erf al geveegd en in de met palmbladeren overdekte keuken kookt ze op het houtvuur water voor de gierstpap die we als ontbijt zullen nuttigen. Ze is onmiddellijk in de dagelijkse routine van het huishouden opgenomen en als je haar zo ziet lopen met een emmer water op het hoofd kun je nauwelijks geloven dat ze hier ooit is weggeweest. Diatou: 'In Nederland doe ik wat ik wil, in Senegal doe ik wat me gezegd wordt.'
Haar spijkerpak is vervangen door de plaatselijke dracht want haar vader wil haar niet zien in westerse kleding.
Terwijl Diatou druk in de weer is breng ik de dagen lanterfantend door. Ze heeft mij bezworen geen enkele huishoudelijke handeling te verrichten, want een man die werk in huis doet kun je niet serieus nemen en het bewijst dat de vrouwen tekort schieten. Ik ben bovendien gast, dus hoef ik slechts te commanderen vanuit mijn klapstoeltje.
De huishouding is een bewerkelijke aangelegenheid. Een warme maaltijd - vrijwel altijd bestaand uit rijst, vis en saus en dit twee maal per dag - vereist een voorbereiding van een uur of drie, vier. Voor het keukenvuur zoeken de vrouwen takken in het bos die met een bijl worden klein gehakt. Diatou is het zware werk ontwend en spreekt nu al met heimwee over andijviestamppot met spekjes en haar eigen kamer in Amsterdam.
Mannen brengen een groot deel van hun tijd in zalig nietsdoen door onder de mangoboom op de open plek bij de waterput, een bezigheid die trouwens niet helemaal zonder gevaar is, want de mango's vallen er uit alsof je je in luilekkerland bevindt. Als licht verzachtende omstandigheid voor mijn zwarte seksegenoten moet ik aanvoeren dat zij wel acht maanden per jaar weinig uitvoeren, maar de andere vier erg hard werken. In de droge tijd is het klimaat zo onmogelijk dat er weinig op het land te doen is. In de vier regenmaanden moet er op de rijst- en pindavelden in hitte en regen geploegd, gezaaid en geoogst worden. Maar ook de vrouwen werken op het land. Het lijkt erop dat driekwart van alle arbeid door vrouwen wordt verricht.

Diatou's 'drie moeders' hebben altijd vrij goed met elkaar overweg gekund, maar dat is dan ook onderwerp van gesprek in het gehele dorp, want de diverse echtgenotes in andere families leven maar al te vaak in onmin met elkaar. Twee moeders moeten ergens in de zestig zijn, de derde is midden veertig. Een huwelijk van een vijftiger met een vrouw van twintig of zelfs vijftien jaar komt op het platteland regelmatig voor.

Diatou, kun je vertellen hoe jouw uithuwelijking in zijn werk is gegaan?

'Ik weet er weinig van. Via via hoorde ik dat ik zou trouwen met een man uit het dorp. Ik was zestien. Hij was verre familie van ons en de familie vond dat ik zijn vrouw moest worden omdat zijn eerste echtgenote gestorven was. Hij had er veel verdriet over, want het was een van de weinige huwelijken uit liefde. Ze vonden dat hij niet alleen kon blijven, maar hijzelf had geen haast, hij zat aan zijn eigen vrouw te denken. Pas na een jaar of drie kwam het huwelijk er dan toch aan. Al die tijd zag ik hem wel af en toe bij ons thuis komen, maar met mij praatte hij nooit.'

Hoe zijn de onderhandelingen over jullie trouwen verlopen?

'Daar is mij niets over verteld. Normaal onderhandelen de vaders van het aanstaande paar met elkaar, tenminste als de bruidegom de vrouw eenmaal wil hebben.'

Dus je weet bijvoorbeeld niet hoeveel de bruidsschat bedroeg?

'Nee. Maar gewoonlijk moet de man aan de ouders van het meisje een koe en een aantal kledingstukken betalen.'

's Avonds, als we onder een bijna volle maan naar de dancing van het dorp wandelen, leg ik Diatou de vraag voor welke plaats de liefde tussen man en vrouw bij de Djola's heeft. 'In het huwelijk speelt liefde meestal geen rol,' denkt zij. 'Man en vrouw delen weinig gevoelens met elkaar. Ze doen het werk dat ze in de familie te doen hebben en leven langs elkaar heen. In Nederland voelen mensen veel meer genegenheid voor elkaar en ze laten het ook merken.'

Vertel eens over je vroegere vriendjes.

'Voor ik naar Nederland ging had ik een vriend die Leo heette. Ik hield veel van hem, maar hij kwam niet uit ons dorp, was geen Djola en hij was nog katholiek ook. Het was ondenkbaar dat ik met hem zou trouwen. De liefde eindigt meestal op het moment van het huwelijk - met een ander.'

Toch zijn er de laatste jaren veranderingen. Veel meisjes gaan in het droge seizoen in de stad werken en hebben daar een relatie. Ze raken nogal eens zwanger, want er is maar één betrouwbaar voorbehoedsmiddel ter beschikking: niet vrijen. Anticonceptiva zijn alleen verkrijgbaar tegen astronomische bedragen, ze worden niet verkocht aan ongehuwde meisjes en veel jongeren kennen hun bestaan niet. De dorpsvergadering heeft, geconfronteerd met een golf van ongehuwde moeders, vastgesteld dat de vader voortaan verplicht is met het zwangere meisje te trouwen.

In de dancing lijkt de romantiek mij ver te zoeken. Het is een vrij groot gebouw en opmerkelijk genoeg het enige van het dorp met electriciteit, opgewekt door een dieselgenerator. Er branden een paar peertjes, wat bijdraagt tot de aangenaam broeierige sfeer, die in wezen overal ter wereld dezelfde is in zulke gelegenheden. Je bent er meteen thuis. Maar hier is het voor de meisjes minder leuk, want zij zijn verplicht twee maal per week in de dancing aanwezig te zijn, tot sluitingstijd te blijven, zin of geen zin, en zonder tegensputteren te dansen met elke man die dat wil. Op verzuim staat een stevige geldboete of je raakt als meisje zelfs 'in slaap', dat wil zeggen uitgesloten van sociale activiteiten. Je mag dan bijvoorbeeld niet eens bij het huwelijksfeest van je eigen zus zijn. Tot al deze reglementen is besloten door de dorpsvergadering. De ouderen hopen met zulke lokkertjes de huwbare mannen in het dorp te houden, want hun uittocht naar de stad wordt een steeds groter probleem. Diatou: 'Veel meisjes vinden die regels stom maar er valt niets aan te veranderen. Het enige wat je kunt doen is stiekum proberen weg te komen uit de dancing.'

Vrouwen mogen niet fietsen, zwemmen of met een broek aan lopen. Ik kon er niet achter komen waarom niet. De vrouwen weten het zelf ook niet zo goed. Erg practisch zijn die verboden in ieder geval niet, want als je in Ziguinchor naar de markt moet of op familiebezoek, zit je als een rat in de val in een wiebelende kano. Ik begrijp nu waarom Diatou de Zwemdiploma's A en B, die ze een jaar na aankomst in Amsterdam al had gehaald, een ereplaats aan de muur van haar kamer heeft gegeven.

Op een meter of veertig van de woning, langs het paadje naar het pindaveld, staat de mangoboom waaronder Diatou ter wereld is gekomen. Tot voor kort zagen alle baby's het levenslicht buiten in het bos, regen of geen regen. Pas sinds kort is er een apart gebouwtje voor bevallingen. Het is een uitgemaakte zaak dat een man ten dode is opgeschreven wanneer hij getuige is van een geboorte of als er zelfs maar sporen van de bevalling in huis achterblijven.

Geloof jij dat nou ook?, vraag ik de aanstaande gynaecologe wat onzeker.

'Mijn zwager van vijfendertig is een half jaar geleden gestorven. Niemand wist wat hij had, ook in het ziekenhuis begrepen ze er niets van. Hij had per ongeluk de geboorte van zijn zoon gezien.'

En in Nederland dan? Daar zijn vaders heel vaak bij de geboorte van hun kind.

'Senegal is Nederland niet!'

Later praten we over Diatou's vlucht naar Nederland.

Hebben je ouders je zomaar laten vertrekken?

'Ze wisten niet dat ik wegging. De enige van de familie die het wist, was mijn broer, die in Dakar studeert. Hij heeft me naar het vliegtuig gebracht, tenminste, het vliegtuig waarmee ik eigenlijk zou gaan heb ik gemist, omdat ik niet snapte hoe het toeging op dat vliegveld, en hij ook niet. Ik heb drie dagen moeten wachten tot het volgende toestel vertrok. Dat was vreselijk. Mijn ouders heb ik pas na een paar weken geschreven vanuit Nederland.'

Het moet een grote schok geweest zijn toen je in Europa kwam.

'Ik wist van tevoren dat alles er anders zou zijn. Niet een paar dingen waren anders, maar alles. Gelukkig kon ik na mijn aankomst een tijdje bij mensen op een dorp in Limburg wonen. Dat is een minder grote overgang dan direct naar de stad, want zelfs in Dakar kwam ik pas voor het eerst op weg naar Nederland. Die mensen waren de ouders van de antropologe die ik uit Senegal kende. Ze had tegen mij gezegd dat haar ouders arm waren, maar ze leken mij ongelofelijk rijk. Ze hadden een ijskast én een vrieskist en wat me het meest verbaasde was dat die niet eens in de huiskamer stonden. Heel vreemd was ook dat ze een hond hadden waarmee ze aan een lijntje gingen wandelen en die zijn eigen eten kreeg. Ik vond Nederlanders veel viezer dan Afrikanen, want wie laat er nou een hond of een kat op zijn bank liggen?
Toen ik in Amsterdam kwam heb ik maanden niet alleen buiten gedurfd en ik kreeg hoofdpijn van de drukte. Ik heb een tijd in een studentenflat gezeten. Ik begreep niet hoe mensen zo met elkaar konden omgaan. Ze gingen in de keuken naast je zitten eten, lazen de krant en zeiden geen woord. Eerst dacht ik dat het aan mij lag, maar bij anderen waren ze net zo.'

Welke dingen zijn je in Nederland verder het meest opgevallen? Wat vond je vreemd?

'Dat vragen veel mensen me, maar ik kan er niet zo gemakkelijk op antwoorden. Ik had me voorgenomen niets vreemd te vinden en zo gauw mogelijk een plaatsje onder de zon voor mezelf te veroveren. In plaats van mezelf vragen te stellen ben ik hard gaan werken en ik heb zo weinig mogelijk aan Senegal gedacht. In het begin had ik vier dagen per week een Nederlandse taalcursus en thuis las ik het woordenboek. Ik ben met een Nederlander getrouwd, maar dat is niets geworden. Ik woon nu op mezelf op een vertimmerde zolderetage.'

Wanneer ben je op het idee gekomen dat je gynaecologe wilde worden?

'In Senegal had ik nooit aan een universitaire opleiding gedacht. Ik had het idee dat ik misschien een eigen naaiatelier in Nederland kon beginnen. Maar ik merkte dat er voor vrouwen ook nog andere mogelijkheden zijn. In Senegal is veel behoefte aan vrouwenartsen en mocht het niet lukken, dan kan ik misschien vroedvrouw worden.'

Je hebt nu uitstekend Nederlands geleerd, zwemdiploma's en een typdiploma gehaald, je doet een kursus tekstverwerken en zit op een Nederlandstalige HAVO. Hoe bevalt het je nu na vier jaar in Nederland?

'Vaak voel ik me best thuis in Amsterdam, maar ik ben ook weer meer aan Senegal gaan denken. Was het het allemaal wel waard? Ik heb nu de vrijheid die ik daar zo graag wilde hebben en ik zou er moeilijk weer afstand van kunnen doen. Maar als je vrijheid hebt moét je ook kiezen, of je wilt of niet, je bent verloren.'

Veroordeeld tot vrijheid, heeft Sartre, een Franse filosoof, dat eens genoemd.

'Dat had die man goed gezien.'

Ik moet weer denken aan een avond in het dorp. We zaten te eten, rond twee grote schalen rijst met vis, een voor de mannen en een voor de vrouwen, waaruit iedereen met de hand het zijne nam, toen Diatou aankondigde dat ze ging leren parachutespringen. Dat wekte lichte verwarring, want wat is parachutespringen? En mag dat wel als zwemmen en fietsen niet mag?

© Hans Schoots. Verschenen in Onze Wereld.


Naschrift: Bovenstaande reportage werd gemaakt in 1988. Diatou maakte de Nederlandstalige HAVO af en vervolgens de Hogere Beroepsopleiding voor de Verpleging. In haar geboortedorp zette zij een medische post op, waardoor daar voor het eerst een moderne gezondheidsvoorziening kwam. Nadat zij enkele locale medewerkers had opgeleid en de post in bedrijf was is hij overgenomen door de Senegalese overheid. Diatou woont bij Amsterdam, werkt in Nederland in de gezondheidszorg en is enkele maanden per jaar in Senegal, ondermeer om de vorderingen van 'haar'medische post te volgen.

^