Peter Arnett was getuige van de val van Saigon op 30 april 1975. Een Noord-Vietnamese tank rijdt de poort van het paleis van de Zuid-Vietnamese president binnen. (foto Associated press)

PETER ARNETT
Live from the Battlefield

Terwijl menig mediawetenschapper zich boog over de Eerste Golfoorlog als 'media-oorlog', publiceerde het gezicht van die oorlog, de Amerikaanse CNN-verslaggever Peter Arnett, zijn memoires zonder noemenswaardige aandacht voor zulke kwesties. Hij was een man van de praktijk met toen al dertig jaar ervaring op de slagvelden. Zo gaat de helft van zijn boek Live from the Battlefield over Vietnam.

Toen CNN-reporter Peter Arnett op 17 januari 1991 binnen enkele uren een van de beroemdste journalisten uit de persgeschiedenis werd met zijn rechtstreekse televisieverslag van de bombardementen op Bagdad, had hij al een indrukwekkende staat van dienst als oorlogscorrespondent. Vanaf 1962 versloeg hij de Vietnamoorlog voor Associated Press, vervloekt door president Lyndon Johnson en de in Vietnam bevelvoerende generaal Westmoreland, maar beloond met de Pulitzerprijs door een jury met een afstandelijker oordeel. De verschijning van Arnetts memoires was dus geen voorbarigheid van iemand met sterpretenties: zijn Live from the Battlefield heeft een eervolle plaats naast de boeken van collega's als David Halberstam en Harrison Salisbury. Vietnam en Irak zijn de belangrijkste onderwerpen van zijn boek, maar hij werkte ook in Indonesië, Laos, El Salvador, Cyprus, Panama, Libanon, Afghanistan en nog enkele landen.

Diepzinnigheden over de mediarevolutie waarvan Arnett symbool is geworden, moeten van hem niet worden verwacht. Tamelijk toevallig kwam hij bij CNN terecht, omdat hij zich verveelde op het kantoor van Associated Press in New York en een baan kreeg aangeboden toen hij begin jaren tachtig eens een kijkje nam in het toen nog primitieve hoofdkwartier van CNN-eigenaar Ted Turner. Zijn voorwaarde was dat hij naar de hot spots van het wereldgebeuren zou worden gestuurd. Hij vertelt aardige anekdotes over de beginjaren vann CNN, over hoe hij werd uitgelachen door de collega's van de grote Amerikaanse televisienetten, hoe die in een week honderdduizend dollar aan transportkosten uitgaven voor reportages over de aardbeving in Colombia, terwijl hij een budget van vijfduizend dollar had. Maar terwijl de concurrentie fraaie reportages monteerde die uren of dagen na dato werden uitgezonden, stuurde CNN de beelden, ook als ze slecht waren, direct de ether in.

De scoop van CNN in Bagdad in 1991 was deels resultaat van deze formule, maar uit Arnetts boek blijkt dat er meer oorzaken waren. Toen hij vijf dagen voor het begin van de Golfoorlog in de Iraakse hoofdstad aankwam, hadden CNN-vertegenwoordigers de autoriteiten daar al maanden bewerkt om een zekere bewegingsvrijheid te veroveren. De meeste journalisten zochten een goed heenkomen voor de vijandelijkheden uitbraken en ook van CNN waren er maar drie bereid mogelijke bombardementen af te wachten: Arnett, Robert Wiener en Nic Robertson. Dat er op het ultieme moment negen reporters en technici van het netwerk in Bagdad waren, kwam doordat zes van hen hun vertrek net een dag te laat hadden gepland. Het CNN-succes was zo een gevolg van visie, technologie, diplomatie, persoonlijke moed, toeval en geluk. De apparatuur moest met smokkelen en liegen Irak worden binnengeloodst. Arnett zelf noemt zijn besluit in Bagdad te blijven vanzelfsprekend. Hij vond de risico's aanvaardbaar (het Al Rashid-hotel had een degelijke schuilkelder en president George Bush Sr had aangekondigd geen tapijtbombardementen te zullen uitvoeren) en de plaats van een oorlogsverslaggever is tenslotte waar de oorlog is. Dat gold voor hem in het bijzonder, want zoals hij in Live from the Battlefield verklaart, is zijn credo steeds geweest te berichten op basis van eigen directe waarneming. Arnett is in positieve zin een man van veel feiten en weinig meningen. Misschien kon hij daarom betrekkelijk moeiteloos van de schrijvende pers overstappen naar de televisie: opiniërende journalisten zullen zich minder graag door het beeld laten wegdrukken.

Als verslaggever in Vietnam hield Arnett zich meestal op bij de troepen in de gevechtszones, waar tientallen journalisten het leven lieten. De soldaten die sneuvelden werden tenminste nog met militaire eer begraven, merkt Arnett op, onze doden werden als luchtvracht afgevoerd en je hoorde er niets meer over. Ondanks alle sensationele details die hij geeft over de CNN-operatie in Irak, is zijn verhaal over Vietnam het meest interessant en dit beslaat dan ook de helft van zijn boek. The Best and the Brightest van New York Times-correspondent David Halberstam en Vietnam – A History van Washington Post-man Stanley Karnow zijn slechts twee van de uitstekende boeken die al over de oorlog in Zuidoost-Azië zijn geschreven, maar Arnett heeft hier het een en ander aan toe te voegen vanuit het perspectief van de reporter in het veld.

Vooral journalisten die de praktijk van de oorlogvoering van nabij meemaakten werden de boodschappers van het slechte nieuws: de Amerikaanse oorlogsinspanningen leidden niet tot het resultaat dat de regeringswoordvoerders in Saigon en Washington beloofden. Net als later in Somalië (Black Hawk Down…) dacht het Pentagon dat kwantitatieve superioriteit en machtsvertoon voldoende waren om het pleit te beslechten. Arnett vermeldt een alledaagse uiting van deze gedachtegang: grote oppervlakten werden met napalm en andere bommen bewerkt, alleen om een enkele vijandelijke scherpschutter uit te schakelen. Nadat de vliegtuigen hun actie hadden beëindigd, hervatte de scherpschutter zijn werk vaak alsof er niets was gebeurd. Arnett signaleerde op een gegeven moment een veelzeggende verandering in het taalgebruik van de Amerikaanse soldaten. Eerst hadden ze het over 'Charlie' (van Victor Charlie, de code voor Vietcong). Later werd het met meer ontzag 'Mr. Charles'.

Maar berichtgeving over de militaire prestaties van de Vietcong was taboe. In een van de zeldzame gevallen waar Arnett zich tot algemene uitspraken laat verleiden, concludeert hij dat Westmorelands strategie een fiasco was, met grote, zinloze verliezen als resultaat, zoals bij de verovering van Heuvel 875 in de omgeving van Dak To. De eerste aanvallende Amerikaanse eenheid was er geïsoleerd door de Vietcong. Dit was onderdeel van Westmorelands strijdmethode: nu had hij de vijand uit de tent gelokt. De omgeving werd gebombardeeerd en twee eenheden werden naar de heuvel gestuurd om de eerste te ontzetten. Arnett was een van de drie verslaggevers die meegingen. Ze vonden de helling bezaaid met lijken van Amerikanen. Na een nacht in deze macabere omgeving tuimelde Arnett jankend in een van de helikopters die de evacuatie van honderdveertig gewonden, negentig doden en drie journalisten voor hun rekening namen. Per vliegtuig keerde Arnett vervolgens terug naar Saigon. Aan boord was hij de enige levende passagier, achterin lagen honderd gesneuvelde militairen. 'De zakken lekten op de vloer. Toen we aan de daling begonnen, golfden de kleverige vloeistoffen over mijn enkels.' Korte tijd later werd de verovering van Heuvel 875 gemeld. Op de top werd een dode Vietcongsoldaat gevonden.

Zulke feiten van het front hadden samen met het welbekende nieuws over Amerikaanse en Zuid-Vietnamese wreedheden grote uitwerking op de publieke opinie. Dat de Vietcong en het Noord-Vietnamese leger eveneens gruwelijkheden begingen, veranderde hier weinig aan. Het perskorps in Saigon werd al vroeg in de oorlog een storende factor voor de autoriteiten. Arnetts achtergronden werden door de CIA uitgeplozen in een poging hem de mond te snoeren en Lyndon Johnson suggereerde volgens Arnett zelf een akkoordje met directeur Gallagher van Associated Press: de Amerikaanse president zou zijn weinig geliefde perswoordvoerder uit Saigon terugroepen, maar werd het voor AP dan ook geen tijd Arnett over te plaatsen? Diens boek geeft steun aan de stelling dat de Verenigde Staten de oorlog niet alleen hebben verloren door gebrek aan steun van het thuisfront, maar op het slagveld zelf.

Hotels hebben een bijzondere plaats in het journalistieke bedrijf. Al Rashid, het Peking Hotel tijdens de Tiananmenopstand. In Saigon was Hotel Caravelle Arnetts uitkijkpost bij dramatische gebeurtenissen, zoals de staatsgreep tegen de Zuid-Vietnamese dictator Ngo Dinh Diem in 1963 en de verovering van de stad door Noord-Vietnamese en Vietcongtroepen in 1975. Arnett confronteert de lezer met veel bloedige ernst, maar trakteert ook op smakelijke verhalen over het journalistenleven in Zuid-Vietnams hoofdstad, waar naar zijn zeggen meer nieuws per vierkante meter te vinden was dan waar ook ter wereld. Hij vond de stad het best denkbare decor voor een film over heldhaftige reporters in Humphrey Bogartpakken, ware het niet dat het er te heet is voor zulke kleding. Hij vertelt over het AP-kantoortje, waar in het voormalige toilet historische foto's werden ontwikkeld zoals Eddie Adams opname van de Zuid-Vietnamese generaal die een gevangene van dertig centimeter afstand door het hoofd schiet. Een andere AP-fotograaf projecteerde vanuit Arnetts appartement eens pornodia's op de gevel van het tegenoverliggende Caravelle, zodat daar genitaliën van twee verdiepingen hoog te zien waren, ‘tot grote verbazing van politieagenten op het plein'.

Een Vietnamese freelance fotograaf die tien jaar voor AP had gewerkt, maakte zich op de dag van de Zuid-Vietnamese nederlaag bekend als agent van de Vietcong en zorgde voor het eerste interview met vertegenwoordigers van het nieuwe communistische regime. Vijfentwintig dagen later werden de meeste westerse journalisten het land uit gezet. In hun bagage bevonden zich gestolen asbakken van Hotel Caravelle, die bij controle op het vliegveld in beslag werden genomen.

© Hans Schoots. verschenen in Vrij Nederland.

 

^