NAPOLEON BEZOEKT NEDERLAND
'Ik wens de Hollanders innig aan mij te verbinden'


De Franse keizer Napoleon maakte graag persoonlijk zijn opwachting in net veroverde gebieden. In 1810 had hij Nederland geannexeerd, maar het duurde meer dan een jaar voor hij in de Hollandse gewesten verscheen. Toen hij er eenmaal was, bleek hij vooral een militair in hart en nieren.

Waarom Napoleon Bonaparte pas meer dan een jaar na de opname van Nederland in het Franse keizerrijk op bezoek kwam, is nooit helemaal opgehelderd. Misschien begreep hij dat zijn besluit om zijn broer Lodewijk, de populaire Koning van Holland, de laan uit te sturen, slecht was gevallen bij de bevolking. Waarom hij een jaar later alsnog haast kreeg met zijn bezoek, is wél te raden. De internationale ontwikkelingen vroegen speciale aandacht voor de militaire situatie in de departementen aan de Noordzee. Na een periode van Franse machtsuitbreiding en successen op de slagvelden van Austerlitz (1805), Jena (1806), Friedland (1807) en Wagram (1809) had Napoleon in 1811 enige reden tot zorg. Vier jaar lang had hij een alliantie met de Russische tsaar Alexander overeind kunnen houden. Daarna maakte deze zich los uit het Continentale Stelsel, dat gericht was op het isoleren van Groot-Brittannië.

Voor Napoleon was Alexanders besluit reden te meer om te proberen de Engelsen alsnog op zee te verslaan en zo mogelijk naar hun grondgebied over te steken. Of er op zijn minst voor te zorgen dat de Engelsen niet in staat waren voet aan wal te zetten op het continent. Vanwege de talrijke zeeoorlogen die de Nederlanders in de loop der jaren hadden gevoerd, zag Napoleon hen als belangrijke bondgenoten in de strijd met de Engelsen, terwijl de Hollandse en Zeeuwse kusten tegelijk kwetsbaar waren voor mogelijke aanvallen. Hij had het land nodig voor de aanval en zag er een bastion in dat koste wat kost moest worden verdedigd.

De voornaamste reden voor zijn belangstelling voor Nederland was militair, met als goede tweede de enorme rijkdom die hij hier te lande vermoedde deels trouwens ten onrechte. Dat verlokkende geld had hij nodig om zijn legers op de been te houden. Net als in andere door hem beheerste landen, hoopte hij in de Hollandse departementen ook nieuwe manschappen voor deze legers te vinden. Uiteindelijk zou hij weinig gelegenheid krijgen nog anti-Britse plannen uit te voeren. Het jaar daarop begon de veldtocht naar Rusland, dat zich tegen hem had gekeerd. Het was het begin van zijn ondergang.

Er is ook weleens aangenomen dat Napoleon na de annexatie zo lang wachtte met zijn komst naar Nederland, omdat hij vreesde voor een aanslag op zijn leven. Hoe groot die dreiging was en of hij zich daardoor werkelijk zou hebben laten weerhouden, is maar de vraag. Wel past deze verklaring natuurlijk mooi in het beeld van een Nederland waar alom verzet broeide.

Onvrede bestond er in ieder geval. Politierapporten uit verschillende plaatsen maken in die tijd melding van aversie tegen het Franse bewind. De commissaris van politie in de voor Napoleon zo belangrijke marinebasis Den Helder berichtte bijvoorbeeld dat 'alle inwoners ons meer haten dan liefhebben'. In het voorjaar van 1811, maar een paar maanden voor Napoleon Nederland bezocht, waren er in Amsterdam, Katwijk, Hoogeveen en Groningen oproeren tegen de dienstplicht.

Toch liet de Nederlandse bevolking tijdens het bezoek van de Franse keizer tussen 23 september en 31 oktober geen protest horen. Het bleef bij een onbetekenend handgemeen in Oost-Groningen tussen wat boerenknechten en een paar eenvoudige burgers die versieringen ter ere van Napoleon aan het maken waren. De keizer zelf kwam er niet eens in de buurt, hij reisde niet verder dan Overijssel.

Niettemin kregen de gemeenten waar hij langs kwam vanuit Parijs opdracht strenge veiligheidsmaatregelen te nemen. Zo mochten er geen schepen liggen onder bruggen die de keizer passeerde en moesten langs zijn route alle losse objecten, zoals bloempotten, voor de huizen worden verwijderd. Logementen dienden onbekende gasten te melden bij de politie. Hoewel concrete vrees voor Hollandse opstandigheid hier een rol kan hebben gespeeld, waren dit toch vooral standaardprocedures die men nu eenmaal kon verwachten bij de komst van een alleenheerser.

Er waren wel enkele persoonlijke uitingen van ongenoegen. De Verlichte Nederlandse dichter Jan Helmers verliet demonstratief de stad Amsterdam vanwege de komst van Napoleon. Het jaar daarop schreef hij het gedicht De Hollandse natie, dat door de Fransen werd verboden. De voormalige bestuurder Anton Reinhard Falck weigerde zijn Amsterdamse werkkamer te verlaten zolang de Franse keizer in de stad was. Hij had tot het jaar daarvoor gediend onder koning Lodewijk Napoleon. Falck was uit overheidsdienst vertrokken toen de koning door de keizer werd ontslagen.

Een geval apart was generaal Cornelis Kraijenhoff. Koning Lodewijk was geliefd geweest bij zijn bestuurders en toen Napoleon hem kwijt wilde had Kraijenhoff maatregelen genomen om de koning en Amsterdam tegen de keizer te verdedigen. Lodewijk vertrok toch, waarna Kraijenhoff zich, ver verwijderd van alle autoriteiten, ging bezighouden met het in kaart brengen van het land.

Tijdens Napoleons bezoek aan Nederland was Kraijenhoff aanwezig bij een ontvangst op het Paleis op de Dam, waarbij het tot een stuurse woordenwisseling tussen hem en de keizer kwam. Op diens verwijten antwoordde Kraijenhoff dat hij slechts zijn koning had gediend. Een week later stuurde Napoleon hem een verzoek hem te vergezellen op een inspectietocht. In Naarden voerde het tweetal, gebogen over de kaarten van de Amsterdamse verdedigingswerken, een discussie waarin Napoleon de stad aanviel en Kraijenhoff verdedigde. ' Je suis très satisfait, général,' zei de keizer na afloop. Kraijenhoff werd opgenomen in de commissie voor de verdediging van Parijs.

De tocht die Napoleon door de Nederlandse gebieden maakte, verliep uiterst efficiënt. Tussen het moment waarop hij bij Cadzand het tegenwoordige Zeeland binnenkwam, en de dag waarop hij bij Grave het land richting Duitsland verliet, bezocht hij ongeveer veertig plaatsen. Vaak reisde hij per boot over de waterwegen, anders te paard of per koets, meestal met een militair escorte.

Een deel van de reis maakte Napoleon samen met de jonge keizerin Marie Louise, die weinig enthousiasme wist op te brengen voor het natte koude landje aan de Noordzee. Zonder haar werkte hij een intensief programma van militaire inspecties af. De gedreven veldheer kon onderweg geen fort, stadswal, haven, oorlogsschip of legereenheid tegenkomen, of hij liet zich er alles uitleggen en deelde er orders uit.

De Westerschelde noemde hij 'het pistool op de borst van Engeland '. Dat ook de Britten het belang van dit gebied inzagen, was al gebleken toen ze in 1809 landden op Walcheren. Hun poging naar Antwerpen op te rukken mislukte, maar bleef een veeg teken. Niet toevallig begon Napoleons rondreis dan ook met bezoeken aan havens en versterkingen in Breskens, Vlissingen, Veere, Terneuzen, Bath en Antwerpen. In enkele van deze plaatsen was hij al eens eerder geweest. Ditmaal moest hij op de rede van Vlissingen door stormweer drie dagen buitengaats blijven tijdens de inspectie van een oorlogsvloot van 44 schepen. Later tijdens zijn toer deed hij het marine-etablissement van Hellevoetsluis aan, waar oefeningen te water werden gehouden, en bezichtigde hij in Amsterdam de rijkswerf en het marinearsenaal. Den Helder achtte hij zijn belangrijkste Hollandse positie. Dat zou worden uitgebreid tot het 'Gibraltar van het noorden'. Hij bezocht er de vloot, compleet met manoeuvres op de Zuiderzee.

Te land liet de keizer zich evenmin onbetuigd. Alleen al in Utrecht waren 13.500 Franse militairen gelegerd, van wie de meeste bij burgers waren ingekwartierd. Sommige rijke Utrechtenaren hadden niet minder dan twintig Fransen in huis, maar ook de armere ontkwamen niet aan gasten. Op de Zeisterheide ten oosten van Utrecht werd onder Napoleons toezicht met 13.000 soldaten een oefening gehouden.

Waar hij zijn troepen ontmoette, wist Napoleon ze altijd weer voor zich te winnen. Zijn tevredenheid over de nieuwe haven en het nieuwe dok van Terneuzen uitte hij door een plaatselijke bevelhebber onder bijval ter plekke tot Ridder van het Légion d'Honneur te benoemen. Op de wallen van Gorkum kwam hij een legerkapitein tegen, van wie het zoontje de keizer zo spitsvondig aansprak dat deze opdracht gaf hem toe te laten tot het lyceum.

Op de Maliebaan in Utrecht inspecteerde hij een aantal regimenten, waarbij hij degenen die iets wilden zeggen vroeg uit het gelid te treden. Een sergeant kwam naar voren en klaagde dat hij nooit was bevorderd, hoewel hij aan zoveel veldslagen had deelgenomen. 'Ik herken u, gij waart met mij in Italië en te Austerlitz,' beweerde Napoleon. Hij bevorderde de sergeant direct onder tromgeroffel tot tweede luitenant, na nieuw geroffel tot eerste luitenant en tenslotte tot kapitein. ' Vive l'empéreur' juichten de manschappen en het publiek: in het napoleontische leger droeg elke soldaat de maarschalksstaf in zijn ransel!

De andere kant van deze medaille was natuurlijk de willekeur. De keizer deed wat hij wilde en vooral in de burgersamenleving kwam dit niet altijd goed over. Al naar de wind waaide was hij tijdens ontvangsten en audiënties ad rem, innemend en belangstellend, of bot, ongeïnteresseerd en lomp tegen vrouwen. Het aantal anekdotes over de ontmoetingen en bijna-ontmoetingen die Napoleon in Nederland had, moet in de honderden lopen. In sommige plaatsen bleef hij meerdere dagen, in andere nog geen half uur. Er waren er zelfs een paar die hij, ondanks hun maandenlange voorbereidingen, zonder stoppen voorbij trok.

In Alkmaar was men, net als overal, lang tevoren met het versieren van de stad begonnen. Er werd een triomfboog opgericht waar hij zou aankomen, her en der werden nog andere bogen neergezet en elk huis werd versierd. Zo waren de ontvangst van het hoge bezoek en een copieus galadiner voorbereid.

Op de grote dag kwam de tijding dat de keizer toch van een andere kant zou naderen en werd de toegangsboog haastig daarheen verplaatst. Nadat een koerier vervolgens het bericht had gebracht dat hij helemaal niet kwam, verscheen Napoleon alsnog. De keizer bleek in een slechte bui en nam de sleutels van de stad aan zonder uit zijn koets te stappen. Na een gesprek van tien minuten met een paar officieren vertrok hij, zonder Alkmaar nog een blik waardig te keuren. 'Vrienden gaat naar huis, de keizer is al gepasseerd,' riep de onderprefect huilend tegen degenen die bij het stadhuis nog steeds stonden te wachten.

Het omgekeerde gebeurde ook: de onvermoeibare keizer die steevast om zes uur 's ochtends opstond, arriveerde nog vroeger dan verwacht in Dordrecht, zodat de hoogwaardigheidsbekleders nog te bed lagen. Zij moesten in allerijl worden opgetrommeld om hem welkom te heten. Op hun excuses antwoordde hij: 'Wel, mijne heren, ik alleen heb hier de schuld van, want waarom leg ik mijn bezoek ook op zulk een dwaas uur af. Gijlieden zijt nu eenmaal niet zo vroeg bij de hand als ik, dat is de hele zaak!'

Napoleon moet met zijn grillige optreden sterk wisselende emoties hebben opgewekt. Bij een audiëntie in Utrecht wist hij juist weer ontspannen en komisch uit de hoek te komen. De keizer, die dacht dat overal in Holland vermogens werden verborgen, zei in gesprek met een dijkgraaf licht ironisch aan te nemen dat zulke onbezoldigde functies door rijke mensen werden vervuld. Dat was waar, zei de dijkgraaf, die er wel aan toevoegde dat van die welvaart weinig over was sinds de Fransen de Hollandse staatsleningen met tweederde in waarde hadden verminderd.

Napoleon vroeg of zijn gesprekspartner niet zo verstandig was geweest zijn beleggingen te spreiden. Inderdaad had de dijkgraaf ook Engelse, die door de oorlog niet werden uitbetaald, en Oostenrijkse. 'Die moet u behouden mijnheer, die zullen goed worden,' verklaarde de keizer tot verbazing van de omstanders over de obligaties van zijn voormalige aartsvijand Oostenrijk. Sinds hij het jaar daarvoor met Marie Louise, dochter van de Oostenrijkse keizer, was getrouwd, hoopte hij blijkbaar voor beide rijken op voorspoed.

Dat de herwaardering van de Hollandse staatsleningen desastreuze gevolgen had gehad, kon hij zelf zien tijdens zijn tocht van Utrecht naar Amsterdam. Daar passeerde hij negentien buitenplaatsen die waren gesloopt of verlaten omdat de eigenaren aan lager wal waren geraakt. Overal in de steden stonden panden leeg die geen mens meer kon betalen, terwijl langs de straten massa's zwervers te zien waren sinds de instellingen voor armenzorg hun belegde gelden kwijt waren geraakt.

De manier waarop de dijkgraaf deze problemen ter sprake bracht, wekt intussen toch de indruk dat hij nog vertrouwde op ingrijpen van de keizer. Tijdens diezelfde audiëntie wist Napoleon indruk te maken op de vertegenwoordigers van de protestantse kerken, die hij toevertrouwde dat ook hij, van oorsprong katholiek, had overwogen voor de reformatie te kiezen. Hij zei te hopen op meer samenwerking tussen de verdeelde protestantse kerkgenootschappen.

Te paard verkende Napoleon de Utrechtse wallen, waarna hij uitkwam op de Oude Gracht. Zijn begeleiders waren achterop geraakt en in zijn eentje raakte hij in een menigte mensen verzeild die hem algauw herkenden. Dat hij zomaar alleen over straat reed, bracht groot enthousiasme teweeg en omstanders probeerden hem aan te raken of zijn mantel te kussen. Na een tijdje zei hij dat het nu wel genoeg was geweest en reed verder.

Deze bewondering voor de keizer was geen uitzondering. Op heel wat plaatsen waar hij kwam, werd hij door grote menigten toegejuicht. Deels was dit in opdracht en er kwamen zelfs wel eens 'betaalde schreeuwers' aan te pas. En het uitsteken van de Franse vlag was gewoon verplicht. Maar de massale belangstelling kan zo maar ten dele worden verklaard. Al waren er anti-Franse gevoelens en was de verarming van het land voor iedereen zichtbaar, het is wel zeker dat er ook spontaan enthousiasme bestond over Napoleons komst.

Hij was dan ook op het hoogtepunt van zijn macht, controleerde een groot deel van Europa en had na een reeks spectaculaire veldslagen een imago van onoverwinnelijkheid. Bij leven was hij al een legendarische figuur. De neiging van velen om de winnaar te volgen, zal ook hier niet hebben ontbroken.

Napoleon zelf begreep zulke mechanismen maar al te goed. In een gesprek dat hij in Amsterdam had met de Franse generaal de Caulaincourt, zou hij hebben gezegd: 'Een dwaas is hij, die op de toejuichingen van het volk, op de straat, bouwt. De mensen raken zo graag in vervoering. Hun geestdrift is voor hem, die ze handig weet op te vatten. Of denkt u soms, Caulaincourt, dat de pracht die ik op deze reis ten toon spreid, is voortgekomen uit kleingeestige ijdelheid? Nee, die pracht is voor mij een hulpmiddel. De verleiding gaat door de ogen naar het hart.'

In Utrecht was de intocht minder indrukwekkend geworden dan voorzien, want de regen viel er met bakken uit de hemel. In Amsterdam verliep alles meer naar wens. Het publiek vergaapte zich aan het vertoon. In een grote optocht kwamen drie kwartier lang de verschillende legeronderdelen met hun muziekkorpsen voorbij, wedijverend in kleurigheid en marcheerkunst. Vanaf de stadsrand in de Watergraafsmeer, waar notabelen de sleutels van de stad overhandigden (zie afbeelding), trokken de troepen door de stad naar de Dam, die werd omgedoopt tot Place Napoleon.

De keizer en de keizerin namen hun intrek in het paleis en bleven twee weken in de stad. Napoleon ondertekende enkele tientallen decreten over alle mogelijke aspecten van het Nederlandse bestuur. Er werden speciale theatervoorstellingen, galafeesten, een vuurwerk en wat al niet georganiseerd, soms opgeluisterd door het keizerlijke paar zelf. 'Ik wil te Amsterdam de grootst mogelijke pracht ten toon spreiden,' zei hij tegen generaal de Caulaincourt. 'Ik wens de Hollanders innig aan mij te verbinden.'

Minder vrolijk stemmend waren in dit verband een paar honderd half naakte Spaanse dwangarbeiders, die aan het einde van de stoet liepen die Amsterdam was binnengetrokken. Deze Spanjaarden, die tegen de Franse verovering van hun land in verzet waren gekomen, dienden als waarschuwing voor het geval er ook hier te lande ongewenste ideeën zouden opkomen.

Hans Schoots, licht bewerkte versie van artikel verschenen in Historisch Nieuwsblad 3-2011.

Verder naar hoofdstuk 8

 

^