Ernst Jünger (links) in Parijs
'Met Jünger mag niets gebeuren', zei Adolf Hitler in de jaren dertig.
Ruim een halve eeuw later brachten bondskanselier Helmut Kohl en president
François Mitterrand samen een bezoek aan diezelfde Jünger en werd
hij een symbool van Duits-Franse verzoening. De in 1998 overleden Duitse officier,
schrijver en filosoof Ernst Jünger werd door Hitler gewaardeerd om de
memoires die hij schreef over het frontleven in de Eerste Wereldoorlog - herinneringen
die even feitelijk nauwkeurig waren als verheerlijkend over de ridderlijkheid
van de ware frontsoldaat. Ook Jüngers radicale nationalisme uit de jaren
twintig kon op Hitlers goedkeuring rekenen en de NSDAP bood de schrijver zelfs
een zetel in de Rijksdag aan, maar Jünger was te aristocratisch om met
de nationaalsocialisten in zee te gaan en bovendien, zoals Thomas Nevin schrijft
in zijn boek Ernst Jünger and Germany: 'Hitlers blindheid voor
literatuur was evenredig aan Jüngers blindheid voor politiek.'
Kohl en Mitterrand gingen bij een andere Jünger op visite. Dat was misschien
de auteur van het mythische Der Arbeiter: Herrschaft und Gestalt, een
toekomstvisioen waarin de mens opging in een technologische wereld waar alle
bestaande zeden en normen achterhaald zouden zijn. Maar ze bezochten vooral
de schrijver van de roman Auf den Marmorklippen en van de Pariser
Tagebücher, aantekeningen die Jünger bijhield als militair van
de Duitse bezettingsmacht in Parijs tijdens de Tweede Wereldoorlog. In Marmorklippen
betoonde Jünger zich tussen de regels door een tegenstander van het nationaalsocialisme
en in de Tagebücher bovendien een minnaar van de Franse cultuur.
En ook niet onbelangrijk: hij was geen antisemiet. 'In de Rue Royale zag ik
de gele ster voor het eerst van mijn leven,' noteerde hij op 7 juni 1942,
'hij werd gedragen door drie meisjes die arm in arm voorbij liepen... Ik schaamde
mij direct voor mijn uniform.' Zijn zijdelingse betrokkenheid bij het complot
tegen Hitler, dat uitmondde in de mislukte aanslag van graaf Claus von Stauffenberg
op de Führer in 1944, plaatste Jünger tenslotte definitief
boven geallieerde verdenking. 'Berlijn' ontsloeg hem oneervol uit militaire
dienst, maar daar bleef het bij want 'met Jünger mag niets gebeuren.'
De Amerikaanse hoogleraar klassieke studies Thomas Nevin geeft in Ernst
Jünger and Germany. Into the Abyss, 1914-1945 een helder en evenwichtig
overzicht van Jüngers ideeën uit de periode waarin zijn leven het
meest verstrengeld was met de Duitse geschiedenis. Jüngers levensloop
bespreekt hij voor zover die verband houdt met zijn werk. Nevin heeft zich
geen eenvoudige taak gesteld, want Jüngers maatschappij-filosofische
opvattingen steunen voor een deel op moeilijk grijpbare mystificerende begrippen
en af en toe ligt het obscurantisme om de hoek. Jünger is een visionair,
een genie dat tot stoutmoedige, verstrekkende conclusies komt via intuïtie
en associatie. Dat is een deel van zijn aantrekkingskracht, maar het is tevens
zijn zwakte: de logica en de bestaande realiteit hebben slechts bescheiden
invloed op zijn visies. Zonder Jünger onrecht te doen neemt Nevin zijn
werk door met een prettige angelsaksische nuchterheid, die precies geschikt
is voor een introductie tot zijn ideeënwereld.
In 1913 verliet Ernst Jünger voortijdig de middelbare school en meldde
zich bij het Franse vreemdelingenlegioen. Hoewel hij zijn school later alsnog
voltooide en een tijdje aan een universiteit studeerde, was hij vooral autodidact.
Zijn bereidheid in vreemde krijgsdienst te treden maakte duidelijk dat het
militaire bedrijf voor hem niet direct verbonden was met eigen land en volk.
In de Eerste Wereldoorlog vocht hij wel aan Duitse zijde in de loopgraven
van Noord-Frankrijk, maar zijn ideaal van de ridderlijke soldaat die een maatschappelijke
rol moest spelen, gold in Duitsland evengoed als in Frankrijk en Engeland.
De kloof die de helden scheidde van de niet-strijders was groter dan die tussen
de naties. In zijn voornaamste boek over de Eerste Wereldoorlog, In Stahlgewittern,
beschreef hij de oorlog als een intens spirituele ervaring en wie beweerde
dat oorlog alleen lijden was had een slavenmentaliteit, zoals de auteurs Erich
Maria Remarque en Ludwig Renn, die romans schreven vanuit een anti-oorlogsstandpunt.
Helemaal ongelijk had Jünger met zijn verwijt niet. De opwinding, de
collectieve roes en de lust tot doden lijken in zijn Stahlgewittern realistischer
te worden beschreven dan in de pacifistische literatuur. Maar dat deze emoties
bestonden hoefde nog lang niet te leiden tot de conclusie die hij trok, dat
de strijder dankzij zijn bijzondere ervaringen de vertegenwoordiger van een
nieuwe tijd is. Nevin noemt Jüngers aanvankelijke kijk op de oorlog Homerisch:
zijn vechters waren als Griekse helden die genoeg hadden aan de strijd als
doel op zich. In de loop van de jaren twintig introduceerde Jünger alsnog
een hogere zin - sneuvelen voor de eigen natie werd hoogste levensvervulling
- in een taal die nogal eens doet denken aan die van de hedendaagse moslimfundamentalist
en die dicht bij de gevoelswereld van de nationaalsocialisten zat.
Tegelijk zag Jünger wel dat de worsteling van man tegen man op het slagveld
grotendeels tot het verleden behoorde. Hij had de gruwelen van oorlog in het
industrietijdperk van nabij aanschouwd en ook deze beschreef hij in Stahlgewittern.
De tegenstelling tussen ridderideaal en industriële revolutie loste hij
op in zijn maatschappij-filosofische werk Der Arbeiter. Daarin werden
zijn soldaten helden aan het arbeidsfront, al had hij daarbij iets anders
voor ogen dan de communisten en nationaalsocialisten. De bestaande ideologieën
zouden verdwijnen, inclusief het nationalisme, en de bourgeoisie zou even
achterhaald zijn als het proletariaat, dat als hoogste doel had ook burgerlijk
te worden. Jüngers machinemens was uit heel ander hout gesneden. Hij
wist dat het onbekende en het gevaar vaste bestanddelen van de moderne wereld
waren en zijn heroïek bestond eruit dat hij zich niet alleen neerlegde
bij de noodzakelijkheden die de technologie met zich mee bracht maar ook met
inzet werkte aan het vervolmaken van zijn ketenen. Vrijheid was inzicht in
de noodzaak van gehoorzaamheid, in een samenleving die het meest zou lijken
op een bijenkorf of een mierenhoop. Volgens Jünger die, zoals Nevin vals
opmerkt, nooit zijn eigen kost heeft hoeven verdienen, werd werk het alomvattende
wezen van de nieuwe commandomaatschappij. Dit 'werk' werd een mythisch begrip
dat ook liefde, kunst, wetenschap, geloof en oorlog omvatte, want ook die
moesten functioneel worden. Jünger leek met andere woorden weleens op
Marten Toonders professor Sickbock, maar niet ontkend kan worden dat zijn
toekomstvisie een zekere voorspellende waarde had. Het zou aardig zijn een
vergelijkend onderzoek te doen naar Jüngers theorie en de praktijk van
het hedendaagse verlicht-ondemocratische, postindustriële Singapore.
In de jaren dertig sloot de altijd al solistische Jünger zich steeds
meer af van de Duitse realiteit. Ver weg van de grote stad hield hij zich
bezig met bloemen kweken in eigen tuin. Dat hij in innere Emigration was
gegaan, bleek uit Auf den Marmorklippen (1939), waarin de hoofdpersonen
het kwaad niet tegemoet traden, maar uit de weg gingen, net zoals Jünger
dat zelf deed. Het kwaad werd in dit boek gepersonifieerd door de Ranger,
een soort mafialeider die zijn Lemuren erop uit stuurde om onheil te verbreiden.
Niet veel later duidde Jünger de SS in zijn dagboeken aan als 'Lemuren'.
Tijdens de oorlog ontwikkelde hij zijn ideeën verder. Hij bleef bij zijn
overtuiging dat de autoritaire staat superieur was aan de democratie, maar
daarbinnen moest het individu uiteindelijk zelf oordelen over recht en onrecht.
Twee moeilijk met elkaar te verenigen uitgangspunten, waarbij voor het dissidente
individu weinig anders overbleef dan de weg van de schrijver zelf: zich terugtrekken
tussen de eigen bloemperken. De concentratiekampen - 'de grote gasthuizen
van de dood waar de ijzeren tirannie een bondgenootschap aangaat met de technologie
in een eindeloos bloedhuwelijk' - veranderden zijn mening over de machinemaatschappij.
De naoorlogse samenleving moest Europees worden, de nationale grenzen teniet
doen en haar morele basis ontlenen aan het christelijke geloof. Nevins boek
eindigt in 1945. Daarna was Jünger nog meer dan een halve eeuw produktief
. Deel twee volgt.
Thomas Nevin, Ernst Jünger and Germany. Into the Abyss, 1914-1945.
Constable, Londen, 284 p.
© Hans Schoots. Verschenen in Vrij Nederland.