DE READDE FLAGGE
Het Friese socialisme in de negentiende eeuw

In 1892 ging vijfzesde van de totale Nederlandse armenzorg naar Friesland. Geen wonder dat het socialisme er in vruchtbare bodem viel. De bevlogen ex-dominee Ferdinand Domela Nieuwenhuis vond er zijn trouwste aanhangers en de Friese advocaat Pieter Jelles Troelstra verdedigde er opgepakte activisten die recht voor allen eisten.

Een verslaggever van de liberale Nieuwe Rotterdamsche Courant was geschokt toen hij in de Friese venen het hutje van een 70-jarige alleenwonende vrouw bezocht. Ze kon er niet rechtop in staan en sliep ook 's winters op de koude grond. Dankzij het armbestuur had ze sinds kort een deken. Zij woonde nog lang niet op zijn slechtst: ook doodgewone holen in de grond kwamen als woonruimte voor.

In de jaren tachtig en negentig van de negentiende eeuw heerste op het Nederlandse platteland een diepe economische crisis. De omstandigheden voor de arbeiders waren ook in andere sectoren niet vrolijk stemmend, maar op het land was de toestand een slag beroerder. Wie in de veengebieden van het noorden werkte, vooral die in de Friese zuidoosthoek, had het bijzonder slecht getroffen.

De vaste werklieden in de venen waren nog geluksvogels vergeleken bij de losse seizoenwerkers. Ze hadden tenminste een regelmatig inkomen, hoe mager ook. Hier stond wel tegenover dat ze bijna horig waren aan de veenbaas, tevens de verhuurder van hun huisje en de eigenaar van de winkel waar ze verplicht waren te kopen, de zogeheten gedwongen winkelnering. De baas kon alles administratief verrekenen en vaak zagen zijn arbeiders geen cent in contanten. Een deel van hun kleding bestond uit vermaakte meelzakken. Ze aten aardappelen, roggebrood, rijst en gort en wanneer het meezat op zondag groente. Vlees, vis en fruit waren onbereikbaar. In feite was het hele gezin in dienst. De jongens werkten mee vanaf hun tiende, de meisjes vanaf hun twaalfde, al waren werkende kinderen van acht of negen, ondanks de wet op de kinderarbeid van 1874, geen uitzondering. In drukke perioden werkten vaste arbeiders 16 tot 18 uur per dag, in rustige 12. Een van de gevolgen van dit alles: de helft van de bevolking was analfabeet.

Losse arbeiders hadden het slechter, al stegen hun kansen met de grootte van hun gezin, dat immers meewerkte. Alles bij elkaar was in de venen en de landbouw een week of tien per jaar los werk te vinden, in slechte tijden zelfs dat niet. Verder waren losse werklui afhankelijk van de armenzorg. Een deel van hen mocht in de werkverschaffing, die wat meer opleverde, zij het onder extreem slechte arbeidsomstandigheden. Werkverschaffing betekende vaak ‘vlasbraken': in een hok slaan op gedroogd vlas, waardoor zoveel stof vrijkwam dat velen er stoflongen aan over hielden. Of het was ‘stenen kloppen': grote stenen in stukjes slaan voor de wegenaanleg, met schadelijke uitwerking op de luchtwegen. Een arbeidersaanvoerder riep eens over de opdrachtgevers tot deze ‘vernederende mensonterende arbeid': ‘Gooit ze dan liever met die keien de hersens in'. Hij werd veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenis, ondanks de inspanningen van zijn jonge advocaat Pieter Jelles Troelstra, de latere leider van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), die vanuit Leeuwarden in de hele provincie activisten verdedigde.

Friesland had toen al een lange stakingstraditie, vooral onder de veenwerkers in de zuidoosthoek. Een staatscommissie berichtte dat daar werd gestaakt ‘sinds onheugelijke tijden'. Al in 1810 werd er een werkonderbreking genoteerd en tussen dat jaar en 1887 waren er niet minder dan 76: bijna elk jaar één. Meestal gingen ze om loonkwesties en in de daarop volgende jaren werden het er alleen maar meer.

Men rukte aan de kluisters, maar socialistische ideeën waren voorlopig meer wat voor een kleine kring goedgeschoolde ambachtslieden in de stad. In het jaar 1869 was in Amsterdam een plaatselijke afdeling opgericht van de roemruchte Eerste Internationale, het in vele landen vertegenwoordigde werkliedenverbond met Karl Marx, auteur van het Communistisch Manifest , en Mikhail Bakoenin, anarchist uit Rusland, als toonaangevende figuren. Na Amsterdam volgden spoedig afdelingen van de Internationale in Den Haag, Rotterdam, Utrecht en… Sneek. In dit noordelijke stadje werden direct meer dan 40 typografen, edelsmeden, timmerlieden en meubelmakers lid. Waarom uitgerekend in Friesland? Een flinke dosis toeval zal er wel bij hebben gezeten. Zulke ambachtslieden kon je ook in andere Nederlandse steden vinden. Hoewel de Friezen soms een koppige, onverzettelijke, misschien zelfs fanatieke volksaard wordt toegeschreven, waren de Friese internationalisten overwegend gematigd. Ze laveerden tussen sociaal liberalisme en socialisme en beperkten zich voornamelijk tot vakorganisatie en pleidooien voor uitbreiding van het kiesrecht. Toch waren hun bijeenkomsten in kroegen en schuren genoeg om de burgerij schrik aan te jagen. De woordvoerders kregen nergens nog werk en zagen zich gedwongen Friesland te verlaten.

Vanuit zijn woonplaats Den Haag maakte de voormalige predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis begin jaren tachtig zendingsreizen naar het noorden. Hij was de oprichter van het blad Recht voor Allen en leider van de pas opgerichte Sociaal-Democratische Bond (SDB). Zijn toespraken over ‘de kwakzalverij op sociaal gebied' en ‘de omgekeerde wereld en hoe daar uit te geraken' hoorde men afwachtend aan. Pas een jaar na zijn komst werd in Lemmer de eerste Friese SDB-afdeling gesticht met welgeteld zeven leden. Daarna ging het snel. Vooral de landelijke strijd voor algemeen kiesrecht sloeg in Friesland aan. De bestaande wetgeving gaf alleen mannelijke belastingbetalers stemrecht en sloot arbeiders en een groot deel van de ambachtslieden, kleine boeren en middenstanders uit. Vrouwen hadden helemaal niks in te brengen. Tot in de kleinste Friese dorpen waren kiesrechtdemonstraties. Domela Nieuwenhuis zag in het kiesrecht geen doel, maar een middel ‘waardoor de algemene welvaart het snelst kan bevorderd worden en de opeenhoping ten nadele van het volk kan worden voorkomen.' Hij hield er, onder de indruk van de kracht van de kiesrechtbeweging, tegelijk rekening mee dat in de winter van 1886 de revolutie al zou uitbreken.

Die revolutie kwam er niet. Wel drong de mare van het socialisme intussen door tot de eenvoudigste arbeiders in de veen- en landbouwgebieden. De nood groeide en de beweging groeide mee. De visioenen die Domela in zijn toespraken zo meeslepend opriep, beloofden degenen die aan de afgrond van het bestaan leefden hoop op een menswaardige toekomst. ‘Dommela', zoals de Friezen zeiden, werd ‘us verlosser'. In een in onbruik geraakte kerk in St. Annaparochie sprak hij voor een menigte van 1200 tot 1500 mensen over honderd jaar Franse Revolutie en beloofde: ‘De dag van onze overwinning is niet ver meer en dan zal het zijn: vrijheid, brood, geluk en recht voor allen'. Eens logeerde hij in Gorredijk en bracht voor het dochtertje des huizes een cadeau mee, een blikken automaatje waar je een halve stuiver in moest doen, dan kwam er een chocolaatje uit. Die halve stuiver mocht ze niet houden, die was voor de stakingskas. Vele jaren later vertelde ze: ‘Al die avond kwamen er een stuk of wat mannen bij ons, arme sloebers, en die offerden allemaal een halve stuiver voor het grote geluk: om iets te hebben van datgene wat van hun Grote Leider kwam. In de rode zakdoek opgeborgen werd het chocolaatje mee naar huis genomen…'

Het succes van het vroege Friese socialisme kwam zeker voor een deel door de persoonlijke uitstraling van Domela, die zijn aanhangers in het noorden veelvuldig opzocht. Intussen waren nu overal in de provincie ook andere woordvoerders en voorgangers van het socialisme te vinden. Zoals Tjeerd Stienstra, kleermaker uit Drachten, die de veenwerkers opzocht en ze toeriep: ‘Ik heb uw toekomst onderzocht, zonder dat U 't vermoedde, en ik wens ze de wereld bekend te maken, want ik heb toestanden ontdekt die ten hemel schreien.' Omdat de meeste cafés en zaalverhuurders onder druk van de politie weigerden vergaderruimte beschikbaar te stellen, opende Stienstra een Volksgebouw in Harlingen en met zijn blad 't Morgenrood werd hij voorman van de socialisten in het Friese noordwesten. De vele opstootjes in de dorpen, meestal om werk of loon, werden geweten aan zijn agitatie. Dat was te eenvoudig gedacht. In de landbouw in de noordwesthoek was veel ellende en landarbeiders wisten zich er zelf te verenigen in de strijdorganisatie ‘Broedertrouw', die in 1890-1891 een staking van meer dan een jaar op touw zette. Stienstra werd voor het gerecht gedaagd omdat hij bij een samenscholing zou hebben gezegd: ‘De burgemeester kan verrekken, wij hebben schijt aan de burgemeester' en zijn toehoorders zou hebben geadviseerd ‘de boeren maar op te ruimen'. Hij werd – weer verdedigd door Troelstra – tot een jaar veroordeeld en na het uitzitten van zijn straf in de gevangeis van Groningen door een grote menigte opgewacht.

Het socialisme was meer dan een politieke richting, het was een gemeenschap met een grote saamhorigheid. Ook de vrouwen hadden hun aandeel, zoals de slechts door zelfstudie geschoolde Geertje Kleefstra uit Roordahuizum, die als 18-jarige al bijeenkomsten opluisterde met socialistische liederen en toneelspel. Verkleed als de Franse maagd Marianne zong ze op de melodie van de Marseillaise het Vrijheidslied. Binnen de kortste keren hield ze toespraken op massameetings en trok ze de aandacht van de politie. Ze kwam een maand in de gevangenis wegens belediging van de burgemeester van Arnhem en werd even later veroordeeld tot zes maanden omdat ze koningin Emma ‘een dom schepsel' had genoemd. De inmiddels 22-jarige ontliep deze tweede gevangenisstraf door naar België te vluchten, waar ze dakloos raakte en in de prostitutie terecht kwam. Ze trouwde tenslotte nog met een redelijk welgestelde Parijzenaar.

In Appelscha was Bruin Bruinsma voorzitter van de socialistische veenarbeidersvereniging Eendracht. Op zeker moment zat hij al 18 weken met vrouw en kinderen zonder onderdak. Zijn vrouw had tot een uur voor de bevalling van zijn jongste kind in de turf gewerkt. Toen hij zich met honderd anderen zonder werk of eten bij het huis van de armvoogd van Appelscha vervoegde, verklaarde deze dat zij God verwierpen. Enkele demonstranten schoten met revolvers in de lucht. Hoewel er wat romantische ideeën rond zulk schiettuig bestonden, was het een uitzonderlijk incident binnen het Friese socialisme. Volgens het socialistische streekblad De Klok waren de demonstranten overtuigd ‘dat slechts door geweld, of vrees daarvoor, verandering komt in den ontredderden toestand.' Bruinsma en twee anderen werden opgepakt. ‘Je krijgt van mij de blauwe bonen, smiecht' zou hij hebben geroepen. Zelf zei hij dat het was geweest: ‘Als men om brood vraagt, kan men gewoonlijk blauwe bonen krijgen'. Feit is dat demonstraties veelvuldig met de lange lat en de blanke sabel uiteen werden gejaagd. Troelstra vroeg vrijspraak, het drietal kreeg een jaar.

In het blad Recht voor Allen vroeg Domela zich af waarom men sympathie zou koesteren voor iemand als koning Willem III ‘die zo weinig van zijn baantje maakt.' Een oordeel dat tegenwoordig elke oranjegezinde historicus zal onderschrijven. Toen hij voor deze woorden tot een jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, had de beweging haar martelaar.

In die tijd had Nederland een districtenstelsel en het Friese Schoterland, rond Heerenveen en Gorredijk, stelde Domela Nieuwenhuis kandidaat voor de Tweede Kamerverkiezingen. Al had zijn arbeidersaanhang nog steeds geen stemrecht, doordat de kieswet toch iets was verruimd, kregen genoeg ambachtslieden, kleine boeren en middenstanders een stem om de eerste socialist in de Kamer te kiezen. ‘Ik heb u lief mijn Nederland, behalve één stukje: Schoterland,' dichtte een weinig talentvolle professor in de letterkunde. Voor anderen was het omgekeerd: duizend Amsterdammers trokken per trein ‘naar het land van de vrijheid' om in Heerenveen deel te nemen aan een massameeting. Na Domela's verkiezing gaf Koning Willem III alle Friezen straf: de Gouden Zweep die hij jaarlijks beschikbaar stelde als hoofdprijs voor de paardendraverijen in Leeuwarden, kwam ditmaal niet.

Het eerste wat Domela in 1888 op verzoek van zijn Friese aanhang in de Kamer aan de orde stelde was de gedwongen winkelnering. Minister Ruys van Beerenbroek, die zichzelf later Ruys de Beerenbrouck noemde, vond dat hij overdreef. Later dat jaar diende Domela een wetsontwerp in, waarna het nog bijna twintig jaar duurde voor er daadwerkelijk een wet kwam tegen gedwongen winkelnering.

Het vroege Nederlandse socialisme, dat bekend is gebleven als ‘de oude beweging', combineerde woede, hoop, romantiek, saamhorigheid en richtingloosheid. Toen Domela in de gevangenis zat – hij kreeg na een half jaar gratie – raakte de SDB meteen in algemene staat van ontreddering. In de jaren negentig werd de vraag steeds nijpender hoe het nu verder moest met het Nederlandse socialisme: de weg van het parlement op, of die van revolutie en geweld? Domela's geloof in het Tweede Kamerwerk was al beperkt en bij de volgende verkiezingen zag hij nog liever af van zijn zetel namens Schoterland dan die te moeten bemachtigen door een deal met de liberalen, die hij dan in een ander district moest steunen. Hij vond het parlement niet belangrijk genoeg voor gemarchandeer. Terwijl de SDB bleef groeien, nam ook de verdeeldheid toe. Zeker in Friesland werd die overduidelijk doordat de bekende aanvoerders Domela en Troelstra er tegenover elkaar stonden in grote publieke debatten. Domela pleitte voor revolutie, de niet eens zo gematigde Troelstra legde de nadruk op de parlementaire weg. In 1894 richtte de parlementaire vleugel van de SDB de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) op. Daar heette het later dat de oude strijd vooral uit ‘zinledig meeting-geloop' had bestaan. De Sociaal-Democratische Bond kwijnde weg, ook in Friesland. Toch sloten in die provincie maar weinigen zich aan bij de SDAP. De stemming uit de oude beweging bleef er nog lang hangen. Domela ging over naar het anarchisme. Niet langer bereid genoegen te nemen met minder dan de utopie, bleef hij met zijn Vrije Socialisten in kleine kring actief tot zijn dood in 1919. Dat hij niet vergeten was, bleek op de dag van zijn crematie: in Amsterdam volgden 11.000 mensen de kist.

De vijandigheid van de buitenwereld tegenover de vroege socialisten moet niet worden onderschat. In 1893 zaten 54 socialistische voormannen achter de tralies. Zelfs in meer bedaagde kringen begon men te zien dat de wet werd opgerekt om ze te treffen. Onder de liberalen en de confessionelen waren er, zeker in het begin, maar een paar die de omvang van de ‘sociale kwestie' onder ogen wilden zien. Tot deze enkelingen behoorde de liberaal Samuel van Houten, opsteller van de wet tegen de kinderarbeid. Zelfs hij weigerde Domela bij zijn intrede in de Tweede Kamer een hand te geven. De enquêtes die vanuit Den Haag werden gehouden om de toestand in fabrieken en werkplaatsen in kaart te brengen, onthulden vele misstanden, en leidden in de loop van de daaropvolgende decennia tot meer wettelijke bescherming. Ook al groeide dus ook in andere partijen het inzicht dat er wat moest worden gedaan, het staat wel vast dat dit zonder de druk van de socialistische beweging niet of pas veel later zou zijn gebeurd.

Hans Schoots, verschenen in Historisch Nieuwsblad 6-2011

 

^