Bert Haanstra filmt 'De Nachtwacht' voor Rembrandt, schilder van de mens (foto Theo Scheffer)

HOLLANDSE DOCUMENTAIRE SCHOOL
in het Tijdschrift voor Mediageschiedenis en daarna...


Update 20 november 2015: In 2011 eindigde ik onderstaande discussiebijdragen met de sombere verwachting: 'Zo wordt het nooit wat.' Helaas klopt dit eind 2015 nog steeds. In november verscheen het boek De Nederlandse Documentairefilm 1965-1990 van Bert Hogenkamp. Hierin maakt hij melding van de stelling uit mijn proefschrift Bert Haanstra - Filmer van Nederland dat de Hollandse documentaire school een mythe was. Van mijn argumenten hiervoor vindt u hieronder een samenvatting. In zijn boek gaat Bert Hogenkamp op geen enkel van deze argumenten in, om vervolgens te concluderen dat hij 'in navolging van Jan Blokker en vele anderen' de films van voor de jarenzestiggeneratie 'toch maar onder de noemer Hollandse documentaire school wil brengen'.

Niets ten nadele van Blokker, maar als woordvoerder van de aanstormende jonge filmmakers gebruikte hij deze term in de jaren zestig om de oudere voorgangers te diskwalificeren en op een grote hoop te gooien. Wanneer je als filmhistoricus over deze generatiestrijd schrijft, is het raadzaam afstand te houden van de retoriek uit die tijd zelf. Maar dat is Bert Hogenkamps ambitie geloof ik niet. In een filmpje op Youtube over zijn boek zegt hij het zelf: 'Ik ben als het ware een soort spreekbuis voor wat zij [de jarenzestigfilmers en hun opvolgers - hs] doorgemaakt hebben, dat dat ergens vastgelegd wordt. Straks zijn ze er niet meer, dan hebben we in ieder geval nog het boek.' Dat is sympathiek, maar of het de eerste taak is van een filmonderzoeker? Het verklaart wel waarom hij zonder argumenten de term 'Hollandse documentaire school' blijft gebruiken: hij volgt hierin het standpunt van degenen over wie hij schrijft.


Verder met mijn stukjes uit 2010-2011:

In het Tijdschrift voor Mediageschiedenis nummer 1-2010 verscheen een recensie van mijn boek Bert Haanstra - Filmer van Nederland. Zie aldaar. Nummer 2-2010 (verschenen december 2010) bevatte een reactie mijnerzijds, die hieronder volgt:

"Hollandse documentaire school...
Met veel plezier las ik in TMG 1-2010 de mooie dingen die Thunnis van Oort schrijft over mijn proefschrift Bert Haanstra – Filmer van Nederland. Ik heb weinig klachten. Bovendien is het in Nederland toch al niet gebruikelijk dat je als auteur in discussie gaat met een recensent. In de Angelsaksische landen gebeurt het vaker, waaruit, vind ik, blijkt dat ze de wetenschap daar ernstiger nemen dan bij ons.

Bij één passage uit de recensie maak ik dus toch maar een kanttekening. Van Oort schrijft:

'Schoots verzet zich verder tegen het begrip "Hollandse documentaireschool” zoals dat werd gehanteerd in Bert Hogenkamps geschiedenis van De (Nederlandse) documentaire film (2003) [De recensent bedoelt hier De Nederlandse documentairefilm 1945-1965 - hs]. Deze school heeft nooit bestaan, en dit begrip is door tijdgenoten ook nauwelijks gebruikt, aldus Schoots. Hogenkamp geeft in zijn studie echter ronduit toe dat deze zogenaamde "school" vooral een door de buitenwereld toegekende, generaliserende kwalificatie was, dus deze kritiek lijkt wat gezocht.'

Hier geeft de bespreker de inhoud van mijn boek niet juist weer. Ik verzet mij tegen het begrip Hollandse Documentaire School zoals dit gedurende vijftig jaar door vrijwel iedereen is gehanteerd. In mijn boek noem ik in dit verband een hele reeks namen, inclusief die van mijzelf. Zie ook de noten.

Het gewraakte begrip is vooral leven ingeblazen door de filmgeneratie van de jaren zestig. Deze gooide er in één zwaai bijna twee decennia Nederlandse documentaireproductie van haar voorgangers mee op een hoop. Vervolgens is deze visie een idée reçue geworden dat tot op de dag van vandaag voortleeft. Vooral het latere gebruik van het begrip Hollandse Documentaire School wekt ten onrechte de schijn van distantie en diepere beschouwing.

'Hollandse Documentaire School' is een van de belangrijkste kernbegrippen uit de Nederlandse filmgeschiedschrijving. In mijn boek heb ik het onbruikbaar en een filmhistorische mythe genoemd, en daar een reeks argumenten bij gegeven. Hier volgt daarvan een zeer summiere samenvatting.

De school zou hebben bestaan van kort na de Tweede Wereldoorlog tot ergens in de eerste helft van de jaren zestig. De navolgende kenmerken worden er gewoonlijk aan toegeschreven:

- filmkunst ten koste van de inhoud

- weinig maatschappelijke betrokkenheid

- geen oog voor individuele mensen

- een eenzijdig visuele benadering met gebruik van voice over in plaats van levend geluid

- 'typisch Nederlandse' onderwerpen als water, wind en wolken, scheepvaart en visserij

Uit de genoemde periode zijn alweer even geleden ongeveer 500 Nederlandse documentaires geteld. Een nieuwe telling zou er nu waarschijnlijk nog een paar honderd extra opleveren. Enkele tientallen titels uit deze massa – altijd dezelfde – worden nu al een halve eeuw voorgesteld als representatief voor een tijdperk. Dat zijn ze niet.

In de meeste films van toen staat de inhoud voorop. Ze hebben met hun veelal concrete informatieoverdracht een directe maatschappelijke functie en relevantie. En natuurlijk gaan talloze ervan ook niet over water, wolken en schepen.

De voice over wordt inderdaad veelvuldig gebruikt, hoewel lang niet altijd. Met een Hollandse school heeft dit weinig te maken. Het gebeurde overal op de wereld, onder meer door technische beperkingen ten aanzien van live geluidsopnamen. Individuen konden hierdoor ook lastig hun diepste zielenroerselen uiten. Een op veel plaatsen in de wereld en ook in Nederland geregeld gebruikte vorm ter vervanging van de voice over was geluid dat wel live leek, maar in de studio tot stand kwam. Ook al niet de beste manier om 'echte' individuen te krijgen.

Vergelijking van Nederlandse met buitenlandse documentaires uit die tijd laat al met al grote overeenkomsten zien. Mede door de geluidsbeperkingen is er, ook in informatiefilms, vaak een zekere nadruk op het visuele. Een mooie illustratie hierbij zijn de verwantschappen tussen Spaanse, Franse, Belgische en Nederlandse landbouwfilms, voornamelijk uit 1950-1965, op de dvd-set Film and the modernisation of agriculture and countryside (2009), een samenwerkingsproject vanuit een aantal Europese ministeries van landbouw.

Bert Haanstra geldt als voorman van de Hollandse Documentaire School. In mijn boek concludeer ik dat een groot deel van zijn films [uit de periode 1950-1965 - aanvulling hs] niet voldoet aan de kenmerken die daaraan worden toegeschreven. Zijn werk in de ‘school' onderbrengen staat een reële kijk erop in de weg.

Hetzelfde geldt voor de toenmalige Nederlandse documentaireproductie als geheel. Anders dan in het concept ‘Hollandse Documentaire School' wordt verondersteld, was het belangrijkste aspect aan de documentaireproductie uit die periode haar – vaak zeer concrete – maatschappelijke functie. Daar doen wat vormexperimenten weinig aan af.

Het zou goed zijn verder onderzoek vooral te richten op twee kwesties.

Op de inhoud en de maatschappelijke boodschap van deze meestal informatieve, voorlichtende en propagandistische films.

En op hun enorme verspreiding en de uitwerking die ze hadden op een breed publiek in die (bijna) televisieloze tijd.

Incidenteel is er al zulk onderzoek gedaan. Wanneer het meer systematisch gebeurt, zal denk ik eens te meer worden vastgesteld dat het begrip Hollandse Documentaire School niet tot inzicht bijdraagt.

Hans Schoots

Naschrift Thunnis van Oort in TMG 2-2010:
'In de geciteerde passage uit de recensie heb ik alleen willen benadrukken dat het begrip 'Hollandse Documentaire School' al kritisch werd gebruikt. Hogenkamps kanttekeningen worden door Schoots ook 'terecht relativerend' genoemd (p. 181) Als recensent viel het mij op dat deze relativering in dezelfde alinea nagenoeg wordt teniet gedaan. Het is niet aan mij om Hogenkamps gebruik van de term toe te lichten of te verdedigen, daarvoor kunnen Schoots en Hogenkamp zich beter tot elkaar wenden - Dat zou in mijn ogen ook een gerichter debat opleveren. Het TMG zou daar natuurlijk graag een platform voor bieden.

Mijn reactie alhier:
Net als in de oorspronkelijke recensie gaat de bespreker ook in zijn naschrift niet in op de inhoud van mijn kritiek op de term 'Hollandse Documentaire School', een term die - nogmaals - niet speciaal met filmhistoricus Bert Hogenkamp is verbonden, maar algemeen in gebruik is geweest en een kwalijk stempel heeft gedrukt op een halve eeuw Nederlandse filmgeschiedschrijving. De recensent reduceert dus een algemene inhoudelijke kwestie tot een (volgens hem ook nog niet bestáánd) meningsverschil tussen twee individuen.

Helaas komt het in het Nederlandse wereldje van filmhistorici nogal vaak voor dat de aandacht uitgaat naar - al dan niet vermeende - animositeiten, terwijl inhoudelijk debat vrijwel ontbreekt.

Overigens wil ik nog graag vermelden dat ik bij de programmeur van het Nederlands Filmfestival in Utrecht in 2009 heb voorgesteld daar een debat over de kwestie 'Hollandse documentaire School' te organiseren en daar zeker ook Bert Hogenkamp voor uit te nodigen. Hoewel het festival zowel in 2009 als in 2010 genoeg debatfora had en er in 2010 een programma werd georganiseerd rond 'Hollandse School'-documentarist Herman van der Horst, werd discussie over dit onderwerp niet nodig gevonden. Kan gebeuren.

Intussen tekende de Dagkrant van het festival d.d. 25-9-2010 uit de mond van Bert Hogenkamp op: 'Van der Horst was een belangrijk vertegenwoordiger van wat men achteraf "De Hollandse Documentaire School" noemt. Een invloedrijke stroming uit onze filmgeschiedenis die ook internationaal aanzien genoot.'

Zo wordt het nooit wat.

Hans Schoots, januari 2011

Lees ook: Samenvatting van Bert Haanstra - Filmer van Nederland

 

^